Geschiedenis Meijel

Vele jaren heeft Meijel een naam gehad die weinig met cultuur of beschaving te maken had. Van buiten af werd met een bedenkelijk gezicht, soms zelfs zeer afkeurend naar het peeldorp en zijn verleden gekeken. De inwoners van het dorp in de geheimzinnige Peel werden gezien als turfmannen die ver afstonden van de beschaving buiten die Peel. De Meijelse inwoners leefden echter absoluut niet van turf alleen.

Hoewel de Meijelse burgemeester van der Steen in 1854 de Meijelsen al karakteriseerde met “van bijzonderen en goeden aard, rustig en vergenoegd levende”, noteerde pastoor Bussing van Liessel in 1885, dat zij van Limburgsche aard zijn, waarop in geenen deele kan vertrouwd worden. Overigens deed genoemde pastoor deze mededeling aan zijn bisschop en wel op het moment dat Neerkant, geholpen door gelden van enige Meijelsen, een zelfstandige parochie dreigde te worden, waardoor een deel van de Liesselse parochie zou worden afgekoppeld.

Ook anderen oordeelden wel eens hard over Meijel en de Meijelsen, als ze zich benadeeld voelden of als ze rechtvaardiging zochten voor eigen tegenslagen. Inwoners van Helden, vechtend om een turfgebied in de Meijelse Molenpeel, schreven in 1740, dat de Meijelsen dat gebied slechts gebruikten voor de bouw van schaapskooien die meestendeel dienen voor schuijlplaetsen van schelmen en gaauwdieven.

Ook Brabantse bestuurders die rond 1750 tevergeefs zochten naar zwervers en booswichten in de Peel, veroordeelden Meijel tot een plaats alwaar zig altijt veele voornaeme gaauwdieven van tijd tot tijd hebben onthouden. Deken Bistervelt van Weert, gestoord in zijn bezigheden van biechthoren en preken rond de feestdagen van Simon en Judas, zocht in 1717 al naar middelen om die quaedtaerdighe boeren ende peelhaesen van Meijel tam te maecken.

Eigen cultuur

Telkens vind je in de geschiedenis van Meijel echter voorbeelden van oude gebruiken en een eigen cultuur; waaruit hierna enige grepen volgen.
Het inhalen van een nieuwe heer geschiedde steeds volgens oude traditie. De heer werd onder de hoge dorenboom voor de kerk een kruis aangeboden; hij beloofde dan plechtig dat de oude privileges en rechten van de gemeenschap werden gehandhaafd en vervolgens trokken alle aanwezigen met het vaandel om de kerk, waarbij de lofzang Te Deum Laudamus werd gezongen.

Als de heer van Meijel met de schepenen een wandeling langs de grens maakte, stopte hij heel bewust op de hoekpunten, bij St. Willibrordusput, Vorckmeer (nu Helenaveen), Kellerbergh, Haenenbergh, Mussenbergh, enz. Dan werd in stappen de afstand tot de toren in Meijel uitgedrukt. Een jongen werd er bij gehaald, meestal een jonge scheper (schaapherder) die in de buurt was. Deze jongen kreeg op het grenspunt een klap tegen zijn hoofd, zodat hij vele jaren later nog precies zou kunnen zeggen: Op deze plaats is een grenspunt, want hier gaf de heer mij een klap tegen het hoofd. Op die grenspunten werd bijna jaarlijks samen met de bestuurders van Deurne en Helden/ Kessel de oude grensbeschrijving gelezen.
Het geheugen van onze voorouders was bijzonder goed, als we de verhalen over lange jaren mogen geloven. Toch gebruikte men soms aparte geheugensteuntjes. Bij het opmaken van een testament of het afsluiten van een contract wierp men wel een brok boter tegen het plafond, zodat de vlek steeds de herinnering zou opfrissen.
 
De vroegere Meijelse boertjes bezaten - een paar families enigszins uitgezonderd - slechts weinig aan grond, huis of dieren. In hun onderlinge handel volgden ze echter allerlei regels. Bij openbare veilingen werd gemijnd volgens algemeen gebruik: er werd een kaars aangestoken, bij opbod riepen de kopers mijn (mijnen) en degene die bij het uitgaan van de kaars het laatst mijn had geroepen was de koper. En dan vermelden de oude teksten de helmelinge, waarbij de verkoper door het overgeven van een strohalm aan de nieuwe eigenaar, duidelijk maakte, dat hij afstand deed van zijn bezit. Daarna volgde meestal een bedankje voor de prompte betaling. 

Verenigingen

Al voor 1600 was er in Meijel een schutterij. De leden schoten op een papegaai, dat wil zeggen op een houten vogel op een lange staak. Die staak is duidelijk ingetekend op de oudst bekende Meijelse kaart uit 1597, op schietoord de Donck, nabij het Hagelkruis. De hiervoor genoemde schutters waren, naar het zich laat aanzien, verenigd in een broederschap of vereniging, waarvan St. Antonius de patroonheilige was. Deze heilige was na St. Nicolaas de tweede patroonheilige van Meijel en ter ere van hem bezat de oudste Meijelse vereniging een zijaltaar in de kerk, toen die rond 1600 bevorderd was tot een volwaardige kerk. Vanuit die broederschap groeide de aandacht voor samenwerking van de leden, financiële hulp en onderwijs. De kapelaan en de koster kregen jaarlijks immers van de broederschap een bedrag voor het verzorgen van onderwijs. In de achttiende eeuw kwamen pas de fulltime onderwijzers, onder wie Math. Hermans uit Sevenum.

Samenwerking in klein verband bestond er steeds. In de zestiende eeuw was de gemeente verdeeld in een zestal pachteenheden, elk met een aantal landerijen en boerderijtjes: Schuere, Venne, Luttel Meijel, Bosch, Kalles en Elsbroeck. Deze pachteenheden waren gegroeid uit de oude “hoeven”, d.w.z. ontginningen van een klein gebied. Deze eenheden groeiden gedeeltelijk uit tot latere dorpswijken. “Verenigingen” worden naast de Schepenbank, het Kerkbestuur, de Armentafel en de dienaars van St. Antoniusaltaar niet aangetroffen. In de negentiende eeuw kwamen er nieuwe, waarvan vooral de kerkelijke broederschappen (van de Rozenkrans, Allerheiligst Hart, H. Maagd Maria, H. Familie, Sint Aloysius) veel leden hadden. Bovendien werden toen gemeentelijk verenigingen in het leven geroepen: de nachtwacht, het brandweergezelschap.

Nadat rond de laatste eeuwwisseling de boeren elkaar vonden in verschillende belangenorganisaties, ontstonden ook andere verenigingen. Imkers, tuinders en werklieden richtten hun organisaties op direct na de Eerste Wereldoorlog, toen ook schutterij St. Nicolaas en Fanfare Eendracht (beide 1919) en voetbalvereniging RKMSV (1921) ontstonden. Voor toneel, sport, zang, gezondheidszorg, enz. kwamen georganiseerde groepen, zodat er nu een scala van meer dan honderd verenigingen en stichtingen is.

Wapen

Wapen van Meijel

Op 28 juli 1819 werd, bij Koninklijk Besluit, bevestigd dat de gemeente Meijel in het bezit is van het navolgende wapen: Een schild van azuur, beladen met het beeld van St. Nicolaas van goud. Het geheel staat op een wolkje/ terras. Sint, kinderen en terras hebben een gouden kleur met daaromheen het schild van azuur (hemelsblauw), soms het symbool van rijkdom en lucht. Dit wapen is gebaseerd op het oude Meijelse Schepenbankzegel. In Meijel was voor 1483 al sprake van scholtis en schepenen der dingbank Meijel. Zij gebruikten een zegel, dat vermeld wordt voor een akte van 21 april 1534, maar waarvan het oudst bewaarde exemplaar dateert van 14 oktober 1710. Dat schepenbankzegel toont St. Nicolaas, patroon van de Meijelse kerk, die in zijn linkerhand een binnenwaarts gekeerde kromstaf houdt en zijn rechterhand over drie naakte jongelingen in een kuip uitstrekt, terwijl rechts van de heilige een mand met drie broden staat.

Vlag

Vlag van Meijel

In de vergadering van 13 juni 1966 heeft de Raad van de gemeente Meijel, met advies van de Hoge Raad van Adel, de gemeentevlag vastgesteld, waarvan de beschrijving luidt: Rechthoekig, waarbij de hoogte zich verhoudt tot de lengte als 2:3, verticaal over het midden verdeeld in twee even grote banen, aan de broekzijde blauw, aan de andere zijde geel; in het blauwe vak 3 gele turven, boven elkander geplaatst. Vlag en wapen stemmen overeen, omdat in beide dezelfde kleuren (goud/ geel en blauw) voorkomen en omdat in beide de turven voorkomen. Met de turven worden zowel peelwerk van voorheen als kinderen aangeduid.

Logo

Logo van Meijel

Het logo is strak vormgegeven en het Meijelse gemeentewapen is daarin terug te vinden: de Mijter en staf van St. Nicolaas en de drie kinderen in de kuip, die in zijn vormgeving weer een verwijzing geeft naar de drie turven die in de Meijelse vlag voorkomen. Het logo is uitgevoerd in de kleuren blauw en geel.

Meijelse taal

Eén van de bijzonderheden van Meijel is zijn taal of dialect. Door een eeuwenlange geïsoleerde ligging tussen moeras en Peel, ver van buurtdorpen af, heeft Meijel een dialect ontwikkeld, dat een heel eigen plaats heeft tussen de aangrenzende Limburgse dialecten en die van Oost-Noord-Brabant. Ook politiek gezien heeft de plaats lang in een uithoek gelegen. Meijel heeft geen deel uitgemaakt van de Republiek der Zeven Provinciën; buurgemeente Deurne bijvoorbeeld wel.

In de achttiende eeuw lag Meijel in Oostenrijks Gelder, terwijl buurtgemeente Helden tot Pruisisch Gelder behoorde. Met Helden heeft Meijel eeuwenlang geruzied over turfgronden tussen de beide gemeenten in, hoewel Brabanders en Limburgers (o.a. uit Helden) met elkaar huwden en in Meijel gingen wonen.

Al deze factoren hebben ertoe geleid dat Meijel een dialect heeft met heel eigen kenmerken en dat er grote verschillen bestaan tussen het Meijels en het Heldens en Roggels dialect. De aansluiting bij de Peellandse dialecten uit het Brabantse is groter dan die bij de Limburgse.

In Meijel verkort men de klanken meer dan bijvoorbeeld in buurgemeente Helden. Het zangerige, dat men wel eens het meest typisch Limburgse kenmerk noemt, heeft het Meijels veel minder dan de Limburgse buurtdorpen.

Door een deel van de bevolking wordt dit Meijels dialect nog gesproken. Maar in de loop van de tijd is het wel al wat veranderd. Woorden als “taaftere” voor namiddag, “teule” voor ploegen, “nobber” voor nabuur hoort men niet meer.

De invloed van een veranderende maatschappij en het Algemeen Nederlands kan men ook hier merken. De Meijelse taal had veel unieks, wat vastgelegd is in een Meijels woordenboek. Samengesteld door Herman Crompvoets en uitgebracht door Heemkundevereniging “Medelo”. (ISBN 90 6507 111 3).